Jesca en Cor in China: deel 2 (Yunnan)
Kopie van weblogverslagen
11/06/2004 "Karaoke en etensgeuren"
We hadden ons op de keiharde bedden uitgestrekt. De karaoke-herrie van een verdieping lager bromde door de muren heen, maar het deerde ons niet. In no time sliepen we als een roos. Het was acht uur 's avonds. De reis had lang geduurd, maar alles was vlot verlopen. We hadden de omgeving van het hotel al verkend, de geluiden van het verkeer, het Chinese gebabbel ('Hey! Laowai!') en alle drukte op ons laten inwerken, de geuren van brandende steenkool, eten, uitlaatgassen en goedkope Chinese sigaretten opgesnoven. We zijn er weer! Kunming heeft toeristisch weinig te bieden, maar de lelijke nieuwe torenflats en de achterafstraatjes met kleine winkeltjes geven een vertrouwd gevoel van even lekker helemaal weg zijn.
Morgenochtend nemen we de eerste bus naar Dali. Zes uur reizen, en dat is nog een kippeneindje.
13/06/2004 "Rituelen"
Er waren redenen om wel met de kabelbaan te gaan. Het pad was glad. En een klim van twee duizend naar drie duizend meter over een helling van dertig tot veertig graden was niet zo makkelijk, ook al dachten we dat we een redelijke conditie hadden. Maar het was onze eer te na. Dus langzaam lopen, veel rusten en veel zweten. Gezien de hoeveelheid weggeworpen wegwerpetensbakjes langs het pad waren er toch wel Chinezen die dit ook gedaan hadden. Maar gezien de hoefsporen en de van nature luie aard van de mensen (als het geen boeren of arme drommels zijn) gaan de meesten daarvan te paard naar de Zhonghe Tempel.
De toegangspoort tot het tempelcomplex omlijstte onze overwinning. We dronken water en genoten van het uitzicht over Dali. Cor fotografeerde een paar meisjes in Naxi-klederdracht. Ik kocht wierook en we klommen verder naar de tempel. "He, die heeft wierook", merkte een Chinese medewerker op. "Die buitenlanders, dat zijn toch allemaal christenen," zei een ander, minachtend leek het wel. "Ik ben geen christen en ik wil alleen wat wierook branden voor een overleden vriend," was mijn reactie, en die paar woorden in het Chinees wekte een glimlach op bij de eerste man. "Drie stokjes moet je pakken, wat je over hebt, leg je even hier neer. Die drie brand je in de tempel op het altaar, de rest straks daar beneden." Ik maakte dankbaar gebruik van zijn aanwijzingen, want verder wist ik ook niks van die rituelen. We maakten er even een plechtig moment van, zagen hoe de geurende rook vanaf die drie duizend meter nog verder omhoog ging en vervloog.
Een etage lager waren de Naxi-meisjes aan het zingen en dansen op het fluitspel van een man. Een Chinese toerist maakte een foto. Een van de meisjes viel uit haar rol: "Je moet vijf yuan betalen als je een foto maakt!" De toerist dacht van niet: "Lazer op, ik ga toch geen geld betalen voor een foto!" Ze liep hem achterna maar het haalde niks uit. Ik kon het zich steeds herhalende deuntje inmiddels meeneurien, en vroeg wat het liedje betekende. "Dat weet ik niet zo goed," zei de fluitist, "maar het is een uitnodiging om mee te dansen en te zingen." Die uitnodiging sloegen we af. "Wil je foto's maken? Kost vijf yuan." We hadden natuurlijk al foto's, maar vooruit. De meisjes zetten hun hoofddeksels recht en drapeerden hun jurken. Cor maakte een paar portretfoto's. Dank voor het poseren.
De weg naar beneden leek wel twee keer zo glad, maar ging drie keer zo snel. We zullen morgen wel spierpijn hebben.
16/06/2004 "Je hebt Chinezen en Chinezen"
Dali is een museum. Het is een oud stadje met Bai-architectuur dat een aantal jaar geleden is gerenoveerd en geheel voor de toeristen is ingericht. We waren nog niet toe aan muesli met yoghurt en pannenkoeken, dus na twee dagen zijn we verder naar het noorden gegaan, naar een onbeduidend plaatsje genaamd Zhoucheng. Hier geen witte gesteven lakens en wollen dekens, maar gewoon roze dekbedden met rode bloemen, geen eigen badkamer, wel een toiletruimte met slechts tussenschotjes (geen deuren) om ons de blik op andermans blote billen te besparen en een gezamenlijk gootje om in te poepen. Van daar namen we een retourtje Shaping om de lokale markt te bezoeken. Niet echt van plan om iets te kopen, maar mijn oog viel op een stuk borduurwerk dat er veel mooier uit zag dan al het andere. De prijs was alleen veel te hoog. Natuurlijk. We hebben onderhandeld en zijn weer weggelopen. Daarna nog twee keer teruggekomen om het nogmaals te proberen en uiteindelijk hebben we het gekocht. Voor een prijs die dichter bij mijn startbod lag dan dat van de verkoopster, maar nog steeds vrij veel geld was voor iets waarvan ik eigenlijk nog niet zo goed weet wat ik ermee moet. Dat zien we thuis dan wel weer. Van de markt konden we niet snel genoeg krijgen, niet eens om wat er allemaal te koop was (nylon bloesjes en plastic schoenen, groenten, pepers en halve koeien, schakelkettingen en rieten visfuiken, kortom: alles), maar meer om de prachtige mensen, kleurrijke kleding en fantasievolle hoofddeksels. Teveel om naar te kijken.
De bus terug naar Zhoucheng kostte vreemd genoeg 25% minder dan op de heenweg (een halve yuan, dat is vijf eurocent), je wordt bijna voortdurend belazerd, maar ja, waar gaat het om. Ik ga wel eens discussie om het principe, het is ook de sport om te proberen als gelijke behandeld te worden, maar weten dat het niet altijd zin heeft hoort ook bij het reizen in dit soort landen.
Vandaag zijn we in Lijiang aangekomen. Lijiang is nog veel toeristischer dan Dali. Erger nog: je kunt er over de hoofden lopen en 99,9% van de toeristen is Chinees. Hordes luidruchtige groepen met petjes van hun reisbureau die achter hun mevrouw-met-vlaggetje-en microfoon aanlopen. Ik had bijna gelijk alweer vluchtneigingen, maar voor even hebben we toch maar van de gelegenheid gebruik gemaakt: pizza gegeten en een praatje aangeknoopt met een ouder Amerikaans echtpaar aan het tafeltje naast ons (over Bush, terrorisme en wat er verder nog voor leuks te doen is in de omgeving). Ik zit alweer te broeden op een uitstapje naar een dorp waar ze niet eens een internetcafe hebben.
18/06/2004: "Internetcafe"
Van internetcafe's wordt hier volop gebruik gemaakt. In de oude (toeristische) stad Lijiang heeft bijna elk cafe wel een computer met internet, vaak trage verbindingen, maar goed, het is vooruitgang.
In het kleine plaatsje Xizhou waar we een paar dagen geleden waren, was in een ruimte achter een batikgordijn een serie computers opgesteld waar het geweld van de schietspelletjes van af knetterde. De jongen die de ruimte beheerde, wees ons een computer naast de zijne. Terwijl wij de mail checkten en het laatste nieuws op nu.nl, zat hij ongeneerd op het scherm mee te kijken. Na een halfuur kwam de vraag: "Waar komen jullie vandaan?" Hij had geen Engels kunnen ontdekken op onze surftocht. Toen hij hoorde dat we Nederlanders zijn, haalde hij een briefje tevoorschijn waar hij landen en tijden op geschreven had. "Nederland speelt tegen Duitsland in de EK vanavond." Dat is waar ook, EK. Morgen voor de vorm nog maar even het resultaat bekijken. "Ik ga kijken hoor, en ik hoop dat jullie winnen!" beloofde hij nog toen we vertrokken.
In de nieuwe stad Lijiang waar we nu zijn (brede wegen, lelijke hoogbouw, schreeuwerige reclames), is het internetcafe iets geavanceerder. Zes rijen van tien computers, camcorders, snelle verbindingen. De zaal is goed verlicht, er hangen certificaten aan de muur (Chinezen zijn dol op certificaten). De meisjes zijn aan het chatten. De jongens zijn driftig spelletjes aan het spelen - met koptelefoons op. Mahjong spelen is uit. Kaartspelletjes zijn niet cool. Voor twee of drie yuan per uur kun je je even een held voelen in plaats van een uit een miljard.

PS: Het heeft nogal wat moeite gekost om de foto bij de tekst te krijgen. Windows 98 is hier de standaard, maar daarmee heb je software nodig om de foto's van de digitale camera af te kunnen halen. We hebben wel een zaakje gevonden waar ze Window XP hebben (die 'ziet' de camera wel automatisch), maar daar hadden ze weer geen programma om de foto van 3,5 Mb kleiner te maken. Een derde winkel heeft Photoshop, maar ook slechts Windows 98. Met een omweg (e-mail), drie internetcomputers en drie flessen bier is het uiteindelijk wel gelukt. Morgenochtend vertrekken we met de bus naar de grens van de provincie Sichuan, naar het Lugu Meer om precies te zijn. Ik beloof niks meer. Maar als iemand nog tips heeft...?
20/06/2004: "In de wolken"
Als je in het regenseizoen naar Yunnan gaat (omdat het werk niet anders toelaat), heb je kans dat het gaat regenen. En dat doet het dus ook. Het begon gisteren onderweg, en het is nog nauwelijks opgehouden. We zitten nu aan een meer op 2680 meter hoogte, waar de grootste attractie bestaat uit overgevaren te worden naar een eiland. We zijn hier gekomen met een meisje uit Hongkong en drie Japanners m/v (we zijn bij ze aangehaakt toen ze stonden te onderhandelen over de prijs van een taxibusje). De zeven uur durende busrit hier naartoe was gezellig, zo gaat de tijd iets sneller, zeker wanneer je de helft van de tijd niets ziet omdat je in de wolken rijdt. En omdat het gisteravond ook regende, hebben we samen gegeten en bier gedronken en spelletjes gedaan. Dat spelletje was ook leuk genoeg voor een vierjarig Nederlands jongetje en zijn ouders - taal was overbodig, lachen is internationaal. Het is nog laat geworden voor een avond waarop je eigenlijk niks te doen hebt.
Toen het vanochtend nog steeds regende en de Japanners besloten in bed te blijven tot het droog werd (bootjevaren is niet leuk als het zo nat is), hebben wij onze regenjassen aangetrokken, de paraplu's opgezet en zijn we de hoofdweg op gegaan, richting Yongning. Nou ja, hoofdweg... een bergweg waar de straatstenen afgewisseld werd door waterplassen en regenbeekjes. Het eerste taxibusje dat langskwam, heeft ons 200 meter verder gebracht, de contactpunten braken. Dus uitstappen en wachten op de volgende bus. Eenmaal in Yongning aangekomen, zijn we eerst weer op zoek gegaan naar de lokale markt.
Geiten en paarden waren we onderweg al tegengekomen, hier struikelden we bijna over kleine en grote zwijnen. Het was onduidelijk bij wie die beesten hoorden, maar blijkbaar weten ze zelf wel waar hun thuis is, ze scharrelden in ieder geval ongestoord rond op zoek naar alles wat eetbaar zou kunnen zijn.
In dit dorp was de trekpleister een Tibetaans klooster. Volgens de Lonely Planet (de reisbijbel) zouden hier nog zo'n twintig monniken zitten. Dat boek is van twee jaar geleden. Het klooster zag er verlaten en gesloten uit. Toch kwam er na verloop van tijd een monnik naar buiten die voor ons wel de deur naar de gebedsruimte wilde openen. Hij was een van de drie overgebleven bewoners. Hij sprak nauwelijks Chinees, dus we konden ook niet vragen hoe lang het zou duren voordat dit klooster helemaal gesloten zou worden, maar ik vermoed dat het niet veel tijd meer heeft. De muurschilderingen waren nog prachtig, maar de gebedsmolens draaiden stroef.
Omdat we nog niet terug wilden naar het hotel, hebben we in een eettentje nog een kom noedelsoep gegeten - zonder vlees, dat vonden ze maar gek, maar we wilden onze darmen een beetje sparen. Onze tafelgenoot heeft ons uitgevraagd over een aantal zaken die ik had kunnen voorspellen: waar kom je vandaan, hoe komt het dat je Chinees spreekt, hoe oud ben je, hoe oud zijn jullie kinderen, waarom heb je die niet en hoeveel verdien je? De laatste vraag is het best te beantwoorden door ook maar gelijk even te vertellen hoeveel een kilo rijst en een kilo varkensvlees in Nederland kost, anders zijn die bedragen voor een gewone Chinese burger niet te bevatten.
Eenmaal terug bij het hotel hoorden we dat er in de buurt een dansoptreden zou zijn van de Mosu, de bevolkingsgroep die hier het best vertegenwoordigd is (naast, natuurlijk, de Chinese toeristen). Ik had een beetje mijn twijfels, maar we zijn toch gaan kijken. De mannen en vrouwen mooi in kostuum, fluitist erbij, het was indrukwekkend om te zien hoe zij hun rijdans uitvoerden. Maar na zo'n tien minuten werden alle gasten uitgenodigd om mee te dansen en dat was het begin van het einde. Chaos werd het, een verkapte polonaise, Chinezen weten ook werkelijk alles te verpesten. Toen ze er ook nog een soort karaoke van maakten - de Chinezen uit Kanton hebben vast de hele weg in de bus hier naartoe op dat ene liedje zitten oefenen - hebben wij ons maar weer uit de voeten gemaakt. Het was leuk, maar er zijn grenzen.
Ik ben benieuwd wat de dag van morgen ons brengt. Als het nog steeds zo regent, gaan we terug naar Lijiang. Als het niet regent, misschien ook.
21/06/2004: "Eendenhoeder"
De verrassingen zijn het leukst. We hadden de rugzakken gepakt, maar tijdens het ontbijt werd het weer beter. Toch nog maar een dagje blijven? Okay dan. Konden we alsnog met een bootje naar een paar eilanden in het meer (diepste punt 93 meter, gemiddeld 45 meter, zicht 30 meter of meer, oppervlaktetemperatuur 19 graden. Weinig leven). En 's middags nog maar een keer naar Yongning, samen met de Japanners en het meisje uit Hongkong dit keer. De taxichauffeur die we hadden ingehuurd om ons heen en terug te brengen, was zo vriendelijk halverwege zijn busje even te stoppen zodat we vanaf een mooi punt een mooie foto van het meer konden maken. In Yongning hebben we nog wat kleine souvenirs gekocht en foto's gemaakt natuurlijk, voordat we weer terug naar het hotel gingen.
Op de terugweg stak er een roedel jonge eenden over, met de eendenhoeder er achteraan, ze waren op weg naar huis. Cor vroeg de chauffeur nog even te stoppen voor een plaatje. "Willen jullie misschien hier even naar binnen? Dit is een vriend van mij," zei de chauffeur. Okay, leuk!
Wij hobbelden achter de eenden aan en belandden op de binnenplaats van de familie Xiong. Eendjes en kippetjes overal, gepiep, gekwetter en gekrioel, en de vrouw des huizes stond maar te lachen naar de onverwachte gasten. "Kom binnen, ga zitten!" De kamer bestond uit niet meer dan een kang (bed-bank), een mooie kast, een houtvuurtje en een klein altaar. We kregen zonnebloempitten op een grote schaal en een zelfgebrouwen drankje in rijstkommetjes voorgezet. Het drankje zag eruit als thee met melk, maar het smaakte beslist naar iets alcoholisch. "Hiervan kun je zoveel drinken als je wilt, je krijgt er geen hoofdpijn van en hoeft ook niet over te geven, zoals bij die drank die je elders kunt kopen!" verzekerde meneer Xiong. Hij vertelde verder dat hij zijn huis zelf had gebouwd van bomen van de berg, en dat het zo stevig was dat het zelfs een aardbeving weerstond. Amazing. Of we ook bleven eten? Nee dank u, we moeten zo weer gaan. Die mensen hadden helemaal niks, de rijst met eendenbout wilden we ze ook niet afnemen. Vele zonnebloempitten en wat voorzichtige slokjes brouwsel verder hebben we ze tien keer gedag gezegd en honderd keer bedankt, "de volgende keer komen we weer langs!" Wat een hartelijke, gastvrije mensen. Wat een bijzondere dag.
23/06/2004: "Lijiang revisited"
De reis vanaf het Lugu Meer terug naar Lijiang was prachtig. Het was jammer dat we net de roeiwedstrijden (dragon boat races) moesten missen, als iemand de moeite had genomen ons te vertellen dat die die dag gehouden zouden worden, dan waren we misschien wat langer gebleven. Maar zo heel veel dagen hebben we hier toch niet meer, en het was goed weer om te reizen. De weg door de bergen ging tientallen meters omhoog en weer naar beneden, soms reden we over de rug van een berg en hadden we aan twee kanten geweldig uitzicht, we hebben onze ogen uitgekeken en veel gefotografeerd. Morgen reizen we van hier weer naar een andere plaats in het noorden, Zhongdian, ook wel 'Shangrila' (dicht bij de Tibetaanse grens), en die tocht belooft ook veel goeds. Als de weergoden het toelaten.
We zijn met onze oosterse vrienden naar het hotel gegaan waar ze eerder ook verbleven. Iets goedkoper en veel gezelliger dan waar we eerst zaten. Dit hotel, of beter gezegd gasthuis, heeft de bouw van een traditioneel Naxi-huis, met aan drie kanten leefruimte en de vierde zijde een muur met entree naar de binnenplaats. Het merendeel van de gasten is Japans, wat heel gezellig is, zeker als ze een biertje op hebben en meer Engels gaan praten. De vrouw die samen met haar man en twee meisjes de zaak runt, kookt elke avond voor iedereen die mee wil eten (tegen vergoeding), en zo zaten we om zeven uur vanavond met zestien gasten op de binnenplaats en werd het ene na het andere gerecht op tafel gebracht. Na het eten werd iedereen gesommeerd 'thuis' te blijven, want we zouden een feestje hebben - een van de meisjes die hier in dienst is, bleek jarig te zijn. We hebben cadeautjes voor haar gekocht en er werd taart gesneden en bier geschonken. De stemming was vrolijk. Ik denk niet dat we ooit nog in Lijiang terug komen, maar mocht het toch gebeuren, dan zoeken we dit adres weer op.
25/06/2004: "Een beetje Tibet"
Zhongdian is een lelijke stad. Grote grauwe gebouwen, of nieuwe blinkende die ze een beetje Tibetaans-achtig uiterlijk hebben gegeven. Brede stoffige wegen. En de oude stad had nog wel wat sfeer gehad, ware het niet dat ze daar alle straten in een keer hebben opengebroken voor renovatie. De hotelletjes en restaurants die daar zitten, hebben een paar maanden geen gasten, omdat ze geen water hebben en de wegen bijna ontoegankelijk zijn. In het midden, op een heuvel, staat een reusachtige gebedsmolen die eruit ziet alsof hij van plastic is. Pure Kitsch. Dit heet dan Shangrila! En hier gaan we ruim twee dagen blijven...
Maar deze dag heeft het gelukkig weer goed gemaakt. We hadden een taxibusje met chauffeur voor de hele dag gehuurd voor 100 yuan en we mochten zelf zeggen waarheen we wilden. De belangrijkste reden waarom we hier naartoe waren gereisd, was een Tibetaans kloostercomplex buiten de stad. Wat we al hadden gezien, was klein of verlaten, dit bestaat uit verschillende gebouwen, waaronder de woonverblijven van een paar honderd monniken. In het hoofdgebouw was een monnik bezoekers aan het zegenen, zelfs de kleinste Tibetaanse kindertjes wisten hoe ze moesten knielen en buigen. Even verderop was een ander bezig de lonten van de yakboterkaarsen te vervangen en in een stil hoekje zat een jongetje van een jaar of tien de geschriften uit zijn hoofd te leren. In een ander gebouw was een hele groep monniken aan het bidden met monotone stemmen, zo nu en dan vergezeld door het geluid van belletjes of handengeklap, elk vers eindigen in een bijna bovennatuurlijk laag gebrom. Het was mooi. Ook al die prachtig gekleurde muurschilderingen met de meest fantastische voorstellingen over leven en dood en alles wat daartussen zit, plaatjes waarvan ik helaas te weinig kennis heb om ze goed te begrijpen (maar: leve de boekhandel!).
De tweede stop was een paar kilometer verderop op een grasvlakte. Dat was eigenlijk een beetje een vergissing. Toen ik de toegangskaartjes had gekocht van wat een natuurreservaat zou moeten zijn, keken we elkaar aan: wat doen we hier? Alsof we in Nederland niet genoeg grasvlaktes hebben... Maar goed, dit was er een hoog in de bergen, dat is toch iets speciaals. En omdat we niet op een versierde yak wilden zitten en ook niet wilden boogschieten of paardjerijden, zijn we maar gewoon een wandeling gaan maken richting de overkant. Onderweg kwamen we een meisje met een stok tegen en ik vroeg waar zij naartoe ging. "Naar onze koeien." Vanaf dat punt waren dat hele kleine speelgoedkoetjes, maar om een doel te hebben, vroeg ik of we met haar mee mochten. Dat was goed. Ze heette Dujizhuma, zat in de vierde klas van de basisschool maar had nu vakantie. Ze had nog een jonger zusje. Haar ouders waren elders aan het werk, zij paste op de koeien. Ondertussen had zich nog een jongen bij ons gevoegd die blijkbaar niet kon praten, maar goed duidelijk kon maken wat hij wilde. Op de foto. Het lcd-scherm van de digitale camera brak ook bij het meisje het ijs, en de verrekijker waarmee ze haar koeien dichterbij kon halen was helemaal fantastisch. Haar jongere zusje was ook aan komen rennen. Ik vroeg Duji Zhuma of ze alle namen kon opschrijven en dat kon ze, in mooie Chinese karakters. Ik heb ze de pen laten houden en de andere twee er ook een gegeven. En toen was het voor ons tijd om gedag te zeggen. We werden nog een tijdje uitgezwaaid, maar even later waren ze helemaal verdiept in het tekenen en schrijven. De koeien hadden voorlopig nog wel genoeg te grazen.
De roeiwedstrijden bij het Lugu Meer hebben we gemist, maar we waren net op tijd om de laatste dag van de paardenraces mee te maken. Dat was weer helemaal aan het andere eind van Zhongdian, dus van de taxi hebben we fijn gebruik gemaakt. De kunst was om binnen twaalf seconden 110 meter af te leggen op je paard en dan ook nog twee keer een pijl in een doel te schieten. Sommige ruiters hingen helemaal scheef aan hun paard om de afstand tot het doel zo goed mogelijk te overbruggen, de hele tribune applaudiseerde als het lukte, maar lachte medogenloos wanneer de man zijn tweede pijl niet op tijd kon pakken of zijn paard besloot achter de doelen langs te racen.
Wij hebben hier morgen nog een dagje. Ik denk dat we ons wel weer gaan vermaken. 's Avonds vliegen we terug naar Kunming (22 uur bus is ietwat teveel) waar we nog twee dagen hebben voordat we weer terug naar huis gaan. Hoe zou het met de poes zijn?
28/06/2004: "Reizigers, zwervers, bedelaars"
Soms kost het iets meer tijd dan anders om een leuk eettentje te vinden, met name als je net weer in een nieuw hotel beland bent en je je weg nog even moet vinden. We zijn weer in Kunming en we zitten in een ander hotel dan aan het begin van de reis, simpelweg doordat taxichauffeurs allemaal een soort 'reisbureautje' zijn en deals hebben met een bepaald hotel. We hebben een luxe kamer op de 16e verdieping met uitzicht over de hele stad.Na weer een hele dag rondgestruind te hebben langs hoofdwegen en door achterafstraatjes, hadden we eigenlijk niet veel zin om weer veel te lopen voor ons avondeten. Maar in China vind je op elke hoek van de straat wel een eetgelegenheid, dus dat moest niet zo moeilijk zijn. Helaas troffen wij in onze buurt allemaal grote, sjieke, lege restaurants. Nog maar een hoekje om dan. Toen kwamen we in een straat met allemaal grote, sjieke visrestaurants. En aangezien wij niet van die enorme visliefhebbers zijn (beter gezegd: erg kieskeurige), gingen we nog maar een blokje om.
Chinezen zijn echte groepsmensen. Je zult ze niet zo gauw als individuele reizigers tegenkomen bijvoorbeeld. En op de een of andere manier uit deze eigenschap zich ook in het straatbeeld. Dan zit er niet slechts een blinde man op straat zijn brood als masseur te verdienen, maar zit er een hele straat vol blinden te masseren. Met winkels precies hetzelfde. Voor schroefjes en spijkers moet je naar de schroefjes en spijkerswinkelstraat, wil je je haar laten knippen, dan ga je naar de kapperstraat. Visrestaurants idem dito. En gek genoeg lijkt het met bedelaars ook zo te zijn. We komen geregeld een bedelaar tegen, ook kinderen (en zo nu en dan geven we ook wel eens geld, maar niet aan kinderen. Principekwestie). Maar op onze zoektocht naar de juiste eettent, kwamen we er in een straat wel vijf tegen. En toevallig allemaal mannen die een hele of halve arm misten. En heel toevallig spraken ze ook allemaal zes woorden Engels. Ik verdenk ze ervan dat ze zijn aangesloten bij de vakbond voor eenarmige bedelaars. We gaven geen geld dit keer, met als resultaat dat een erg vasthoudende bedelaar wel heel lang met ons mee bleef lopen, dat was bijzonder irritant. Uiteindelijk gaf hij op, nog wel heel beleefd 'sorry' zeggend. Wat moet je daar nou mee.
We vonden ons restaurant, een zaakje waar we bijna drie weken geleden eerder waren geweest. We konden door de schappen met uitgestalde groente en vlees in de keuken kijken, minstens tien koks stonden daar binnen druk te hakken en te wokken, de vlammen schoten soms omhoog, het was een bedrijvigheid van jewelste. Ook zo'n tien meisjes droegen de gerechten aan, schonken heet water op de glazen met thee, of stonden te hangen en te wachten tot ze wat konden doen. De zaak was drukbezocht. De jongen die onze bestelling kwam opnemen wist nog wat we drie weken geleden gegeten hadden. We bestelden als gewoonlijk drie gerechten, zodat we wat konden vari"eren. Het smaakte weer uitstekend. Maar het was teveel dit keer. En omdat we het jammer vonden dat ze het weg zouden gooien, vroegen we of ze het voor ons in twee bakjes wilden inpakken, met twee paar wegwerpstokjes erbij.
Op de weg terug naar het hotel kwamen we langs een jongetje van een jaar of zeven (moeilijk te schatten altijd), hij zat op straat met een leeg bakje en vroeg om geld. "Wil je eten?" vroeg ik. Ja, knikte hij. Het eerste bakje met gebakken noedels, kip met noten en spinazie had zijn bestemming. Even verderop lag een oude zwerver te slapen. Het tweede bakje hebben we bij zijn spullen gezet. Nu hadden we ons eerdere gedrag een beetje goedgemaakt. Helemaal goed doe je het natuurlijk toch niet. Ik heb wel eens geld gegeven aan een bedelaarster die dat vervolgens niet genoeg vond. Maar ja. Voor morgen toch maar wat kleingeld bij de hand houden.
We moeten dan sowieso ons laatste Chinese geld opmaken voor we weer in het vliegtuig naar huis stappen - dit was het laatste schrijfsel vanuit China.