Menu:

Laatste nieuws:

Sterre
jul 11, 2007
Onze dochter Sterre is geboren op 2 juli!
[More]

Artikel Aland online
jun 29, 2007
Artikel van onze vakantie naar Aland is online!
[More]

Pagina Marokko-reis
apr 4, 2007
Een pagina over de tocht in de woestijn toegevoegd met foto's en geluidsfragment van de muzikanten.
[More]

Het volgende artikel is gepubliceerd in Onderwatersport (april 1999):

Je moet een passie voor de oudheid hebben

Zijn het schatgravers of baggeraars? Duikers of historici? Deskundigen of hobbyisten? Amateur-onderwaterarcheologen zijn waarschijnlijk van alles een beetje. Een gesprek met twee kopstukken van de Landelijke Werkgroep Archeologie Onder Water (LWAOW).

"Een gezonken schip is een tijdcapsule," zegt amateur-archeoloog Fred Talle. "Zodra het op de bodem ligt, wordt het door sediment toegedekt en geconserveerd. Je vindt het terug zoals het was toen het onder de golven verdween." Ad Beerens voegt toe: "Er is een groot verschil met landarcheologie. Men gooit geen hele borden weg - wat er op land gevonden wordt, is meestal afval. De landarcheologen hebben niet altijd zoveel geluk als met Pompeii. Schepen hebben daarentegen de modernste lading en apparatuur aan boord en wrakken kunnen dus heel veel vertellen over hun tijd."
De coördinator en assistent-coördinator van de Regio Delta van de LWAOW vormen een goed team. Net zoals Ad de taken van Fred op zich neemt als de laatste voor zijn werk in het buitenland zit, vullen beiden elkaar tijdens het gesprek over hun grootste liefhebberij ook voortdurend aan. "De lading zegt heel veel over de herkomst van het schip. Aan de structuur van een scherf aardewerk kun je zien uit welke tijd het stamt en textiel is vaak aan een bepaald gebied en een periode te koppelen," legt Fred uit. Zo zijn er bijvoorbeeld Italiaanse leren modeschoenen gevonden in een laat zestiende eeuws wrak in de Waddenzee. "En als dat niet voldoende is, kunnen we de jaarringen van het hout nog laten onderzoeken," knikt Ad.
Hoewel de romantiek rond de verhalen over gezonken schepen anders doet vermoeden, zijn de onderwaterarcheologen geen schatgravers. Als een tip wordt gegeven dat ergens misschien iets interessants zou kunnen liggen, moet de locatie eerst gevonden worden. Dan kan het nog maanden tot jaren duren voordat bepaald is of de vondst inderdaad historisch interessant is. Je kan niet altijd duiken, omdat wind of stroming beperkende factoren kunnen zijn. Het water mag niet te koud zijn, omdat veel werk zonder handschoenen gedaan wordt. En slecht zicht vertraagt het onderzoek ook nog eens. Fred vertelt: "Negen van de tien keer ga je voor niks op een tip af. Maar het is wel belangrijk toch elk gerucht serieus te nemen. Van de Romeinse brug bij Cuijck was al honderd jaar bekend dat vissers er met hun netten bleven hangen voordat iemand eens onder water ging kijken."

relatie
Een passie voor geschiedenis is de grootste drijfveer van de amateur-archeologen. Mensen die zich bij de LWAOW aansluiten, hoeven geen historische achtergrond te hebben. Maar omdat heel veel activiteiten boven water plaats vinden, is het niet genoeg om een liefhebber van wrakduiken te zijn. Uren van voorbereidingen en werk achteraf - metingen vergelijken, naslagwerken lezen, in archieven zoeken - voor een half uur duiken is geen uitzondering. "Het gaat om langdurige projecten en je moet er moeite voor doen, wat dat betreft is het net als het onderhouden van een relatie," filosofeert Ad Beerens. "Niet iedereen houdt het dan ook lang vol."
Desondanks telt de Archeologische Werkgroep bijna honderdtachtig leden en zijn er alleen al binnen de regio Delta zeker vier groepen actief. Wrakduikvereniging Sirene uit Den Haag is daar één van. Daarnaast wordt op wrakken in het Oostvoornsemeer gedoken, op een baggerlocatie in de Binnenbedijkte Maas en op de Nehalennia, resten van een Romeinse tempel in de Oosterschelde. Alle groepen opereren zoveel mogelijk zelfstandig. De landelijke werkgroep helpt met het opzetten van regionale onderzoeken, organiseert regel-matig evenementen en adviseert bij het leggen van contacten met professionele organisaties en overheid.
Eigen initiatief nemen is belangrijk. Ad Beerens: "De LWAOW verzint geen projecten voor onze leden. Wat we met name proberen te bereiken met landelijke en regionale bijeenkomsten, is het bijbrengen van een bepaalde mentaliteit. Ons devies is: blijf overal van af. Wij graven niet zelf, we verrichten metingen en signaleren aan de professionele archeologen. Die bepalen dan of iets historisch interessant genoeg is en of ze het geld, de tijd en de mankracht erin gaan investeren. Je kan maar één keer iets omhoog halen. Of het gaat goed, of het is voor altijd verloren. Neem bijvoorbeeld een gietijzeren kanon. In de poriën van het gietijzer zit zout water. Boven water droogt dat op, de zoutkristallen zetten uit en er breken spontaan stukken van af. Dan is je vondst dus weg. Dit soort projecten moet in goed overleg gebeuren met het NISA (Nederlands Instituut voor Scheeps- en Onderwaterarcheologie, onderdeel van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, red.). Maar ook schijnbaar onbeduidende vondsten melden we bij het NISA, waar ze een centraal bestand bijhouden." Er worden enorm veel vondstmeldingen bij het NISA gedaan, en sommige worden toch aangemerkt als projecten waar in de toekomst nog aandacht aan besteed zal gaan worden.

archieven
Het is niet zo dat de professionals afwachten tot ze iets leuks aangereikt krijgen door de amateurs en er vervolgens mee weglopen. Beide groepen hebben elkaar nodig, ‘de ene hand wast de andere’. Het onderzoek naar het zestiende eeuws wrak op het Scheurrak, in de waddenzee, is daarvan een goed voorbeeld. Toen de ontdekking bij het NISA gemeld werd, heeft men, na zich ervan te hebben overtuigd dat het interessant genoeg was voor de scheepsarcheologische wetenschap, professionele apparatuur en mankracht beschikbaar gesteld voor verder onderzoek. Maar beroepsduikers moeten door de arbowet veel meer veiligheidsmaatregelen treffen voordat ze te water kunnen - zij moeten bijvoorbeeld decotanks aan boord hebben als ze dieper duiken dan tien meter - en ze hebben niet altijd tijd, mensen en budget beschikbaar. In zo’n geval is de medewerking van vrijwilligers hard nodig.
Beginnende amateur-archeologen die het verrichten van metingen onder water en het snuffelen in archieven leuk genoeg vinden, worden niet zomaar in het diepe gegooid. Duiken wordt ze niet meer geleerd. 'Droge' archeologen moeten hun rijbewijs tenslotte ook bij een andere organisatie halen. Maar door begeleiding van een ervaren buddy, meetweekenden die twee of drie keer per jaar in de regio worden georganiseerd en clubavonden in het kader van archeologische thema's, krijg je stukje bij beetje de nodige kennis en vaardigheden bijgespijkerd.
Regio Delta organiseert zijn meetweekeinden in Katseveer bij Goes. Daar ligt een wrak waarvan het diepste punt bij hoogwater op 1,8 meter ligt en dat bij laagwater droog valt. Ideaal om waarnemingen onder water op hun juistheid te toetsen dus. Na een introducerend verhaal aan de kant worden er meetpunten in het wrak geslagen. Een ploeg duikers gaat vervolgens metingen verrichten, terwijl de andere ploeg schetsen maakt op schrijfleitjes. De gegevens worden uitgewerkt op de computer. Meestal ontstaat op dat moment een flinke discussie over wie wat wel of niet goed heeft gedaan: schetsen en metingen komen vaak nauwelijks overeen. "Veel cursisten zijn ervan overtuigd dat de tekeningen kloppen en de meetgegevens niet," grinnikt Fred. "Maar als het wrak een paar uur later droog ligt, zien ze met eigen ogen dat het tegendeel waar is."

scherven
Meer ervaringen worden uitgewisseld tijdens de clubavonden van Regio Delta, eens in de zes weken. Daar bespreken de leden wat er in de regio gebeurt, en deskundigen geven lezingen over thema's als bodemopbouw, sidescanning (een systeem om vanaf de oppervlakte de bodem globaal in kaart te brengen) en het herkennen van scherven. Over het laatste weet Ad meer te vertellen. Hij is met zes anderen sinds twee jaar bezig een baggerplaats in de Binnenbedijkte Maas te onderzoeken. In 1963 is daar een zandput gegraven voor de aanleg van een snelweg en het archeologisch materiaal dat in de zeef achterbleef, is weer overboord gegooid. "Je vindt er spul uit alle tijden: scherven uit de ijzertijd, uit de Romeinse tijd, uit de middeleeuwen. En van een twintigste eeuwse kleuren-tv kijken we ook niet vreemd meer op." Aan de hand van foto's legt Ad uit hoe je aardewerk in de tijd kunt plaatsen: een Romeinse scherf is veel fijner van structuur dan een scherf uit een periode van verval, de middeleeuwen. Een geoefend oog zal zeker veel kunnen vertellen over de geschiedenis van de vindplaats.
Hoe zijn de heren zelf eigenlijk in dit wereldje verzeild geraakt? Ad: "Ik liep tijdens mijn studie weg- en waterbouw stage bij een baggerproject. Later kon ik daar als vakantie-kracht terecht en van het een kwam het ander." Fred vond potscherven tijdens een duik bij het verzonken dorp Bommenede. Toen hem door de Rijkspolitie te Water verboden werd nog langer in de vaargeul te duiken, is hij vergunningen gaan aanvragen bij de nodige instanties. De stichting die hij toen heeft opgericht, is een van de voorlopers van de LWAOW. Voor Fred is dit iets meer geworden dan zomaar een hobby. Na vele duiken en jarenlang archiefonderzoek, heeft hij, samen met partner Marion Burger, de hele geschiedenis van Bommenede in een boek beschreven. Als de financiën rond zijn, zal het boek worden uitgegeven.